Vechthonden

Baasjes van vechthonden hebben de neiging om in hun eigen hond slechts een poeslief wezen te zien. Neem een pitbull, die hond waarvan de kaken vastklikken als-ie zijn tanden zet in een willekeurig lichaamsdeel. Als ik zo’n type zie naderen op de stoep, ook al heeft-ie een baas aan de lijn, heb ik iets heel dringends te doen in een zijweg. Ach, zeggen de hondentrainers, je hoeft niet bang te zijn voor vechthonden, het zijn de bazen die ze agressief maken. Kan best wezen, maar ik kom liever 3 dronken pekinezenbazen met hun loslopende hondjes tegen, dan 1 modelbaas met zijn aangelijnde pitbull. Vechthonden fokken is mensenwerk, er is een markt voor! 

Nog niet zo lang geleden bij het uitlaten van mijn hondje, ontmoette ik een bekende. We maakten een praatje want we zijn lotgenoten. Allebei hebben we een klein hondje. En om de een of andere reden hebben grote honden het altijd op onze hondjes gemunt. ‘Vorige week’, zo vertelde hij, ‘kwam er een bouvier op me af. Zijn bazin had hem niet onder controle en hij viel mijn hondje Joris aan. In een reflex stopte ik Joris onder mijn jas. Het leek goed te gaan want de bouvier droop af. Maar juist op dat moment wurmde Joris zich tussen de knopen van mijn jas, stak zijn koppie naar buiten en kefte de bouvier na. Die draaide zich om en viel ons beiden aan. Ik stopte Joris gauw terug maar mijn broek was totaal aan flarden’.

 Mezelf overkwam me eens iets soortgelijks. Het was een prachtige lentemiddag en ik kreeg de kriebels. Lang genoeg had ik in de zoveelste duffe bespreking vertoefd. Naar buiten, kolkte het door mijn hoofd, even weg van de mensen, de benen strekken in het bos. Het eerste wezen dat ik daar tegenkwam, had inderdaad niks menselijks. Grommend en met een bloeddorstige blik in de ogen stormde een kolossale dobermann op me af. Ik schrok me wild. Waar kon ik heen? Omdat ik zo snel geen geschikte boom kon ontdekken, bleef ik stokstijf staan. Geheel naar de zin van het beest, dat al blaffend in kringen om me heen begon te draaien. Ik weet niet of dobermanns rode ogen hebben, maar deze wel. Bovendien liep er kwijl langs zijn idioot scherpe snijtanden.

‘Braaf, zoete hond!’, riep ik hem toe. Maar deze gejokte woorden konden de dobermann niet overtuigen. Ik was verloren.

‘Blijf staan, ze doet niks!’, hoorde ik iemand hysterisch schreeuwen. ‘Niks verroeren, staan blijven!’ Daar kwam een man aanrennen. Een baas, zo hoopte ik, die met een luid  ‘Buldo HIERRR!’ de hond met de getrimde staart tussen de poten zou doen afdruipen. Het bleek inderdaad de baas te zijn, maar daar is ook alles mee gezegd. Onverstaanbare klanken uitbrallend en steeds roder wordend, trachtte de man zijn hond te pakken, zodat er nu in plaats van één, twee uitzinnige wezens om me heen cirkelden. Wat kon ik doen? Ik sloot mijn ogen want ik kon ze niet geloven.

Toen eindelijk het geblaf en geschreeuw waren geluwd, durfde ik weer te kijken. Er was een wonder gebeurd: de baas was niet langer rood en de dobermann zat aan de lijn.

‘Ze maakt wel een hoop drukte maar ze doet niks hoor, kwestie van rustig blijven’, zei de baas. ‘Ach ja, blaffende honden bijten niet’, zei ik bibberend.

De baas keek vertederd naar zijn huisdier en sprak hem liefkozend toe: ‘Kom, ga je mee Paulientje’? Niks geen Buldo dus. Hij trok zijn vechtteef mee en samen verdwenen ze uit mijn leven. Bevrijd van mens en dier zette ik het op een hollen over de zachte bosgrond, dromend van een wereld zonder vechthonden.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.