Appie

Sinds een jaar of veertien ken ik hem. Meestal zoeft hij voorbij in zijn scootmobiel. Wapperende bos grijze haren, flinke baard, olijke lieve ogen. Soms is hij ineens kortgeschoren en zijn baard gemillimeterd. Ook dat hoort bij hem. We leerden elkaar kennen als hondenbezitters. Hondjes snuffelen aan elkaar. Praatje maken. Dat praatje verloopt als eenrichtingsverkeer, want hij brengt wel klanken voort, maar echt spreken kan hij niet. Als hij me tegemoetkomt op het fietspad slingert hij olijk en ik neem mijn postpet af. Appie heet hij. Een man met een gouden hart, altijd vrolijk, zwaaiend naar iedereen. Hij staat vaak met zijn scootmobiel bij stoplichten of rotondes om te zwaaien naar vrachtwagenchauffeurs. Ze kennen hem allemaal, toeteren soms en zwaaien altijd terug. Via vragen in multiple choice stijl kom ik er in de loop der jaren achter hoe hij heet, waar hij woont en wat er vroeger is gebeurd, waardoor hij nu nauwelijks kan praten en gehandicapt is. Een beroerte op jonge leeftijd. Hij was chauffeur, maar sinds zijn ziekte is dat natuurlijk onmogelijk geworden.

Hij lacht veel en graag. Is tuk op een grapje. Heeft ook veel humor en is dankbaar als je het geduld hebt daarnaar samen met hem op zoek te gaan. In mijn tijd dat ik als postbezorger veel door de Edese wijken zwierf kwam ik hem veel tegen. Hij was namelijk ook postbezorger. Ik bij PostNL, hij bij de concurrent. Altijd zwaaien, altijd een grapje, een gebaar, een praatje. Als hij het ergens mee eens is, steekt hij zijn wijsvinger van zijn goede hand in de lucht en kijkt je schalks aan. Vinden we dat we iets slims hebben bedacht, trekt hij met een vinger zijn ooglid omlaag. Als je zegt dat het lekker weer is, legt hij zijn vinger tegen zijn lippen. Nemen we afscheid dan klinkt een luid herhaald ‘aju-aju-ajuuu!’ Sta ik de heg te knippen met mijn simpele snoeischaar dan hoor ik ‘kip-kip-kip.’ Dan staat hij met zijn hondje me aan de overkant van de straat toe te lachen, met zijn goede hand knipgebaren makend.

Toen de coronapandemie net was uitgebroken stonden Appie, Marijke en ik voor onze oprit te praten over de toestanden in de wereld. Een motoragent tufte voorbij, keek ons wantrouwend aan door zijn helmvizier en stopte even verderop om ons door zijn spiegel in de gaten te houden. Ik realiseerde me pas op dat moment dat ons een coronaboete van drie keer € 995 boven het hoofd hing vanwege een verboden samenscholing. Toen mijn vrouw en ik een stap naar achteren deden, reed hij zijn scootmobiel iets naar voren. We kregen de slappe lach maar ontsnapten aan een boete.

Slechts één keer kwam hij binnen bij ons. We dronken samen een kop koffie. Marijke en ik hadden net een dierbare verloren. Hoewel hij volgens de normen van menselijk verkeer niet kon praten, straalde hij een en al warmte en begrip uit. Kijkend in zijn meelevende ogen ervoeren wij een grote troost.

Enkele weken geleden valt het mij op. Ik vraag aan Marijke: ‘Heb jij Appie deze maand nog gezien?’ Zij antwoordt negatief en we vrezen allebei hetzelfde.

Via een oud-collega van de post hoorde ik dat hij stilletjes heengegaan is. Eind april in zijn slaap overleden. We waren er kapot van.

Ons leven in onze vertrouwde buurt mist iets sindsdien. Mist hem. Zijn vrolijke zwaai, zijn lach op zijn scootmobiel beladen met bakken vol post, zijn onverwoestbare levenslust bij hitte, regen of vorst. Hoeveel vrachtwagenchauffeurs in Ede en omgeving vragen zich af sinds 30 april 2021: Hé, waar is die vrolijk zwaaiende man in zijn scootmobiel gebleven?

 

Foto: https://www.flickr.com/photos/149271704@N02/49573504711

1 thought on “Appie

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.