Inbraak maakt meer kapot dan je lief is

Sinds de pandemie uitdooft, laaien de woninginbraken op. Boeven houden van mensloze huizen, want ze kunnen betrapt worden. Dan breekt ze het zweet uit onder hun bivakmuts. Maar het boevengilde is 24/7 actief. Pas nog vier keer in één nacht in Bennekom. Een inbraak in je eigen huis is een ellendige ervaring. De materiële schade is nog wel te overzien, of verzekerd. Maar de emotionele schade is veel ingrijpender. Helemaal erg is als kinderen, kwetsbare of hoogbejaarde mensen de dupe zijn. Bij nieuws over woninginbraken denk ik altijd terug aan wat ik meemaakte in een vorig huis.

Kráaák, hoor ik buiten. O, denk ik, er waait een fiets om. Maar bij een volgend kraak ben ik alert. Er is al eerder ingebroken bij de buren, aardige bejaarde mensen. Flitst daar een schim langs een donker raam? Met mijn mobiel in de aanslag storm ik de tuin in. Er staat een bovenraam bij hen wagenwijd open. Snel de politie bellen. De dienstdoende agent vraagt: ‘ziet u vreemde mensen?’

Schietgebedjes afvurend dat ik geen onderwereldfiguren tegen het lijf loop, haast ik me de tuin uit en ren ik om het plantsoentje heen naar het buurhuis. Terwijl de dienstdoende agent aan de lijn blijft hangen, zie ik daar licht aanfloepen. Al mijn moed verzamelend bel ik aan. De buurvrouw doet open. Verschrikte ogen. Haar man en zij kwamen net thuis en vonden hun huis overhoopgehaald.

Een geluk bij een ongeluk is dat de meeste woninginbraken niet gepaard gaan met lijfelijk geweld tegen de bewoners. Maar niet altijd. Soms worden bewoners gekneveld en onder wapenbedreiging of ander geweld gedwongen pinpas en pincode af te staan. Of om te zeggen waar kostbaarheden zijn verborgen. Afgelopen decennia trok de overheid zich steeds meer terug. De politie sloot haar bureaus in buurten en dorpen en centraliseerde zich in de stad. Dat heeft een verlengend effect op aanrijdtijden. Willen we een samenleving waarin iedereen verplicht een alarmsysteem heeft en zelfs de bezorger zich moet legitimeren?

Tussen het eerste kráaák en mijn aanbellen bij de buren zijn zes minuten verstreken. Intussen brak iemand in, rende naar beneden, forceerde sloten en ritste geld en sieraden mee. Het moet gezegd, de politie is er snel. Binnen veertien minuten. Drie man sterk en een politiehond die afgericht is op sporen van braak. ‘Ik voel me niet meer veilig in mijn eigen huis,’ zegt mijn buurman. ‘Vanmorgen zagen we al een paar jongens naar ons huis loeren. Je gaat alles en iedereen wantrouwen,’ zegt zijn vrouw. De politie denkt dat het om dezelfde inbreker gaat als de eerste keer. De sporen blijken identiek.

‘U heeft er toch geen bezwaar tegen dat we een alarminstallatie laten aanleggen?’ vraagt buurman de volgende dag. De beveiligingsbranche profiteert van de inbraak-business. En de boevenbranche, niet te vergeten. ‘Zo’n alarm mag niet te hard loeien,’ vervolgt buurman mismoedig. ‘Dat mag niet van de wet. Maar ach,’ zegt hij met een wrange glimlach, ‘inbreken mag ook niet van de wet.’

Brutaal als de neten om twee keer in hetzelfde huis in te breken. Niet alleen je privacy als bewoner is gekraakt, ook je home-sweet-home gevoel. Misschien je zelfvertrouwen. Zou die inbreker als-ie gepakt wordt de schade moeten terugbetalen? En de kosten van het alarm? Ik heb een droom. Als zo’n inbreker zijn volgende kraak zet, wordt er op hetzelfde moment bij hem zelf ingebroken. Dan ervaart hij bij thuiskomst hoe ellendig dat is en komt hij tot inkeer. Of zou hij doodleuk de politie bellen?

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.